Lectoraat Residentiële Jeugdzorg

Achtergrond van het leefklimaatonderzoek

Aandacht voor de context waarin kinderen en (jong)volwassenen functioneren is niet nieuw, zeker niet als het gaat om forensische contexten. In het buitenland schreef Trieschman in 1969 al de 'andere 23 uur', waarin hij betoogde dat dat ene uurtje therapie misschien wel minder affect had dan de kwaliteit van die andere 23 uur waarin een kind met emotionele problemen ook functioneert. Ook Nederlandse pedagogen als Langeveld en Kok maar ook Houweling-Meijer en Visser waren wegbereiders van de gedachte dat klimaatverbetering een positieve invloed zou kunnen hebben op ontwikkeling en herstel. Probleem echter was dat instrumenten om dit klimaat te meten vaak onvoldoende valide en betrouwbaar waren of te lang en te ingewikkeld voor de doelgroep.

Met de ontwikkeling van het leefklimaatinstrument door Peer van der Helm en Geert-Jan Stams is er voor het eerst een betrouwbaar en valide instrument beschikbaar dat ook in de praktijk gebruikt kan worden en waarvan de resultaten worden herkend en erkend in het werkveld. Het leefklimaatinstrument wordt momenteel in een groot aantal instellingen en in verschillende landen gebruikt voor kwaliteitsverbetering. In het kielzog hiervan zijn ook instrumenten ontwikkeld voor het meten van het leerklimaat in de klas, zinvolle dagbesteding en het werkklimaat dat medewerkers ervaren. Recent is aangetoond dat meten in combinatie met het geven van feedback aan medewerkers (en jongeren) over de resultaten ervan en vervolgens opnieuw meten een positief effect heeft op de ontwikkeling van het leefklimaat.