Onderwijs met bezieling: een inleiding in de Vrijeschoolpedagogiek
In het Vrijeschoolonderwijs is het belangrijk dat leerlingen vaardigheden leren, de wereld leren kennen
en zo leren waarnemen dat zij hun eigen oordeel kunnen gaan vormen. Ze moeten zich in de volle
breedte kunnen ontwikkelen. Dat betekent dat zij op school niet alleen hun denken ontwikkelen, maar
ook hun voelen en willen. Hierbij wordt in de Vrijeschool ook wel gesproken over leren met het hoofd
(denken), met het hart (voelen) en met de handen (willen). Op deze manier kunnen ze leren ‘worden wie
ze zijn’ (‘worden wie je bent’ is een motto dat veel gebruikt wordt door Vrijescholen) en volwassen in de
wereld te staan.
Het Vrijeschoolonderwijs komt voort uit de antroposofie (zie verderop in dit hoofdstuk). In
Vrijeschoolonderwijs zijn naast het doel om leerlingen een diploma te laten behalen (kwalificatie) ook
socialisatie (deelnemen aan de maatschappij, burgerschap) en subjectificatie (persoonsvorming) erg
belangrijk (Biesta, 2018).
Het onderwijs is, net als het Montessorionderwijs, gericht op het zodanig opvoeden van kinderen en
jongeren dat ze zich ontwikkelen als volwassenen die volledig participeren in de samenleving. Vanuit
het Vrijeschoolonderwijs is belangrijk dat kinderen zich verbonden voelen met het grotere geheel waar
zij deel van uitmaken. Anders gezegd, het is belangrijk dat … “onderwijs de ontwikkeling van een vrije
persoonlijkheid aanmoedigt in ‘cognitiviteit’, inventiviteit, originaliteit en creativiteit (…) zodat kinderen
uitgroeien tot mensen die zelf betekenis en richting aan hun leven geven“ (Vereniging van Vrijescholen,
2020 in Sins & Berends, 2020).