In de overgang naar de tweede termijn van het Lectoraat Waarde(n) van Vrijeschoolonderwijs schetste ik terugblikkend en vooruitdenkend een beeld van het soort onderzoekswerk dat mij voor de nieuwe fase voor ogen stond. Daarbij zag ik voor het werk van het lectoraat een verschuiving van het primair identificeren en begrijpen van waardevolle concepten en begrippen, van theorie- vorming, naar het bijdragen aan de verdere ontwikkeling van waardevolle pedagogisch-didactische handelingspraktijken in de school. Handelingspraktijken waarin leerlingen dat kunnen ontmoeten, ervaren en ontwikkelen wat we belangrijk, waardevol en goed vinden om ze mee te geven op weg naar volwassenheid in de wereld.