Hogeschool Leiden

Richtlijn psychosociale hulphond voor gemeenten

10-06-2021 - Peer van der Helm pleit voor de inzet en vergoeding van hulphonden bij PTSS en andere vormen van multiproblematiek.

 

Prof. Dr. G.H.P van der Helm

Lector residentiele jeugdzorg en psycholoog Hogeschool Leiden

Hoogleraar Onderwijs en Zorg aan de Universiteit van Amsterdam

 

Zernikedreef 11

Leiden, 10-06-2021

 

Betreft: onderbouwing vergoeding psychosociale hulphonden voor gemeenten

Een grote groep mensen hebben last van een posttraumatische stresstoornis of een andere vorm van complexe multiproblematiek, meestal samen met negatieve emotionaliteit (angst, dwang, depressie, een laag zelfbeeld), zelfverwonding, suïcidaliteit, eetstoornissen en autistische kenmerken. Er is genoeg wetenschappelijke evidentie dat we met de huidige stand van zaken met betrekking tot psychotherapie we deze aandoeningen niet kunnen genezen1  maar wel mensen kunnen leren daarmee te leven zodat er weer perspectief en participatie geboden kan worden.2

Er is discussie in Nederland over de effectiviteit van de inzet van psychosociale hulphonden in Nederland als het gaat om complexe problemen. Veel gemeenten en zorgverzekeraars wijzen aanvragen voor een (gedeeltelijke) vergoeding daarom bijna standaard af met het argument dat de effectiviteit van een psychosociale hulphond niet bewezen zou zijn in vergelijking tot andere, door het Nederlands Jeugdinstituut en zorgverzekeraars ‘erkende’ interventies voor jongeren en jongvolwassenen. In de effectiviteitsladder van het NJI komen hulphonden niet eens voor, maar ze onderzoeken daar ook bijna nooit combinatietherapieën of aanvullende therapieën. Los van de discussie over de effectiviteit van therapie in het algemeen wordt deze stelling door afwijzers nooit met literatuur onderbouwd. In een eerste onderzoek werd daarom gezocht naar overzichtsstudies van de laatste twee jaar en 22 gepubliceerde onderzoeken in peer-reviewed tijdschriften naar de effectiviteit van psychosociale hulphonden bij PTSS om te onderzoeken of het afwijzingsargument standhoudt.

Over de effectiviteit van hulphonden is veel te doen, maar in geen enkele gevonden studie werd gevonden werd de effectiviteit van hulphonden vergeleken met die van andere therapieën voor cliënten met complexe problematiek. Dat is echter wel nodig, want de Amerikaanse onderzoeker John Weisz en diens collega’s vonden in 2017 dat de effectiviteit van bestaande therapieën heel gering was voor complexe problematiek. Sindsdien is er veel verbeterd in de zorg rond complexe problematiek en combinatietherapieën.(1) Daarom kijken we als eerste naar de meest recente overzichtsstudies.

In de twee meest recente overzichtsstudies van Gillett & Welldrick (2020, ook bij jongeren) en Rodriquez et al. (2020) zien we in het eerste overzicht van 22 studies naar de inzet van psychosociale hulphonden op veel terreinen significante positieve effecten op veel van de onderzochte gezondheidsmaten. Rodriquez et. al (2020, bij veteranen) vonden verder in een groots opgezet onderzoek belangrijke effecten op angstreductie en PTSS-symptomen. Ook met betrekking tot herbelevingen en verhoogde waakzaamheid vonden ze duidelijke effecten. Dat laatste is belangrijk omdat veel cliënten het huis niet meer uit durven vanwege herbelevingen en angst op straat, in het OV en in de winkel. De effecten waren kleiner voor het nemen van risico en geheugenverlies.

In de overige 22 gepubliceerde studies die werden bekeken kwam hetzelfde beeld naar voren. Zo vonden Lloyd en collega’s in 1919 in onderzoek naar 199 hondeneigenaren dat angstreductie en paniekaanvallen door aaien voorkomen kon worden (oxytocineproductie in de hersenen). Ook op depressie had de hond een positief effect. Honden konden door met een poot de cliënt een por te geven hem/haar terugbrengen uit een herbeleving of dissociatie. Ook werden zij s ‘nachts bij nachtmerries niet meer badend in het zweet wakker en voelden zij zich niet meer eenzaam. Ook hadden honden invloed op ongewenst gedrag van de eigenaar zelf en blokkeerden ze ongewenst contact van anderen. In 46% was er een reductie in zelfmoordpogingen, gebruik van ggz, ziekenhuisopname en medicatie te zien. Logischerwijs was er ook een duidelijke toename in maatschappelijke participatie zichtbaar. Er is inmiddels veel evidentie dat een hond beter spanning kan detecteren dan mensen en op zijn/haar manier onvoorwaardelijk er kan zijn zonder te oordelen.

Waar nog wel weinig onderzoek naar gedaan is, is de groeiende praktijk dat jongeren vaak onder deskundige begeleiding hun eigen puppie zelf trainen. Dat laatste sluit aan bij de motivationele basisbehoeften van de ‘zelfdeterminatie-theorie’ van Ryan & Deci (2017). Verbondenheid met de hond opbouwen, Competentie (een hond iets leren en succeservaringen opdoen) en Autonomie (zelf doen). Op basis van de literatuur en de theorie wordt hiervan veel verwacht, want het geeft cliënten ook weer dagbesteding en dwingt ze uit bed te komen voor een activiteit met anderen. Een hond zelf trainen kost naast aanschafkosten (ca. 1500 euro die de meeste jongeren zelf opbrengen) ongeveer 10 tot 20.000 euro aan trainingskosten. Maar dan heb je ook wat, gezien de positieve uitkomsten van de recente onderzoeken, en zeker in vergelijking tot de kosten van therapie en residentiële zorg die vaak in de tonnen op jaarbasis lopen.

Wat betreft ondersteuning door een netwerk is het de ervaring dat in veel gevallen het overgebleven netwerk al overbelast is vanwege de problematiek. Dit is ernstig omdat cliënten ook in de toekomst met hun netwerk door moeten kunnen gaan. Een collaps van het bestaande netwerk dient zoveel als mogelijk te worden vermeden. Bovendien geven cliënten zichzelf hiervan de schuld, wat herstelmogelijkheden verder compromitteert.

Plaatsing in crisisopvang of een instelling is, gezien de voorgeschiedenis meestal niet meer mogelijk.

Op basis van deze argumenten kom ik tot de conclusie dat hulphonden niet zozeer bijdrage aan ‘genezing’ maar wel aantoonbaar bij kunnen dragen aan herstel en participatie.

Indicaties voor een bijdrage van een gemeente ingevolge de Jeugdwet of de WMO vanuit de wetenschappelijke literatuur kunnen zijn:

  1. Een posttraumatische stresstoornis. of een andere vorm van bestendige complexe multiproblematiek, meestal samen met negatieve emotionaliteit (angst, dwang, depressie, een laag zelfbeeld), zelfverwonding, suïcidaliteit, eetstoornissen en autistische kenmerken.
  2. Ernstige lijdensdruk waarbij de kwaliteit van leven en mogelijkheden tot zelfstandige participatie (buiten de deur gaan, winkels bezoeken, een opleiding of dagbesteding volgen) verminderd zijn als gevolg van angst en dwang.
  3. Een langdurende hulpverleningsgeschiedenis (minimaal een half jaar) met verschillende therapieën zonder evidente progressie en of gebrek aan vooruitzicht op herstel door middel van therapie.
  4. Instellingsongeschiktheid, blijkende uit failed treatment
  5. Motivatie om met een hulphond aan de gang te gaan.

 

Ik ben altijd bereid mijn advies toe te lichten.

 

Met vriendelijke groeten

Peer van der Helm

Helm.vd.p@hsleiden.nl

0648133745

 

 

Referenties

1. https://weiszlab.fas.harvard.edu/files/jweisz/files/weisz_et_al_2017_ap_5_decades_youth_psychological_therapy_effects_meta-analysis.pdf

2. Schopman, S. M. E., ten Have, M., van Balkom, A. J., de Graaf, R., & Batelaan, N. M. (2021). Course trajectories of anxiety disorders: Results from a 6-year follow-up in a general population study. Australian and New Zealand Journal of Psychiatry. https://doi.org/10.1177/00048674211009625