Tegel 6 - Hoe gebruik je de waaier?
Je hebt naar aanleiding van de verschillende beweegverhalen een gesprek gehad met de cliënt. Vervolgens ga je een koppeling maken tussen de kenmerken van het COM-B model die tijdens het gesprek naar voren zijn gekomen, de verschillende interventies en de gedragsveranderingstechnieken die je kan gaan inzetten bij de cliënt. Hierbij helpt de waaier.
De secties in de waaier
De waaier is gebaseerd op het COM-B model en helpt bij het kiezen van gedragsveranderingstechnieken die passen bij het doel van de cliënt. De waaier bestaat uit verschillende secties:
- De roze kaarten gebruik je om te kiezen in welke categorie de cliënt valt en wat het doelgedrag van de cliënt is.
- De oranje kaarten gebruik je om te bepalen welke gedragskenmerken je selecteert om het doelgedrag te bereiken, welke interventies je daarbij kunt inzetten en welke gedragsveranderingstechnieken je daarbij kunt gebruiken.
- In de groene kaarten zijn de gedragsveranderingstechnieken verder uitgewerkt.
In onderstaande video wordt kort de inhoud en het gebruik van de waaier uitgelegd. Vervolgens wordt in de tegel stapsgewijs de toepassing van de waaier beschreven.
Pak de waaier erbij en doorloop de volgende stappen:
1. Roze kaart: categorie en doelgedrag bepalen
In het gesprek dat je met de cliënt hebt gevoerd aan de hand van de beweegverhalen zijn verschillende kenmerken van het COM-B model naar voren gekomen. Bepaal in welke van de onderstaande categorieën de cliënt valt en wat het doelgedrag is:
- Bewegen is een gewoonte: doelgedrag gericht op het behouden en niet op veranderen.
- Bewegen is deels een gewoonte: doelgedrag gericht op het vasthouden of terugkeren naar het oude niveau, indien nodig met aanpassingen.
- Bewegen is geen gewoonte: doelgedrag gericht op het ontwikkelen van een nieuwe gewoonte.
Dit doelgedrag kan je helpen in het vervolg van het gesprek met de cliënt als je gaat bedenken welke gedragsveranderingstechnieken ingezet kunnen worden en welke afspraken jullie samen maken om dit doelgedrag te bereiken.
2. Oranje kaarten: gedragskenmerken, interventies en gedragsveranderingstechnieken kiezen
De oranje kaarten bevatten verschillende onderdelen, namelijk gedragskenmerken, interventies en gedragsveranderingstechnieken. De gedragskenmerken staan links en de interventies rechts in de oranje kolommen. De gedragsveranderingstechnieken worden daaronder opgesomd met het kaartnummer van de bijbehorende gedragsveranderingstechniek op de groene kaart erachter.
Gedragskenmerken bepalen
Bepaal op basis van het gesprek dat je hebt gevoerd met de cliënt welke gedragskenmerken je selecteert om het doelgedrag te bereiken. Dit is een nieuwe manier van redeneren en vraagt wat oefening. Je kan meerdere kenmerken selecteren, echter is het goed om hier bewuste keuzes te maken. De volgende gedragskenmerken zijn mogelijk:
- Fysieke capaciteit: fysieke vaardigheden, lichaamskracht en/of uithoudingsvermogen.
- Psychologische capaciteit: kennis en/of mentale vaardigheden om de noodzakelijke denkprocessen uit te voeren.
- Sociale gelegenheid: gelegenheid die de sociale omgeving biedt, de mensen om je heen, inclusief de normen, waarden en verwachtingen die hierbij horen.
- Fysieke gelegenheid: gelegenheid die de omgeving biedt, zoals tijd, (financiële) middelen en plaatsen.
- Reflectieve motivatie: plannen maken (bewuste intenties) en oordelen vormen (opvattingen over wat goed en slecht is).
Deze kenmerken komen uit de kern (COM-B) van het gedragsveranderingswiel van Michie.
Voorbeeld
In het gesprek komt naar voren dat de cliënt 'samen bewegen' met iemand anders leuker vindt, dan zou je dit kunnen koppelen aan 'sociale gelegenheid'.
Interventies kiezen
Als je een gedragskenmerk hebt gekozen om te beïnvloeden, dan vind je in dezelfde kolom ook een passende interventie. De volgende interventies zijn mogelijk:
- Training: vaardigheden aanleren.
- Voorlichting: kennis of begrip vergroten.
- Modeling: mensen een voorbeeld geven waarnaar ze kunnen streven of dat ze kunnen navolgen.
- Omgeving aanpassen: de fysieke of sociale context veranderen.
- Facilitering: meer middelen geven/ belemmeringen wegnemen om de capaciteit of de gelegenheid te vergroten.
- Overtuiging: communicatie gebruiken om positieve of negatieve gevoelens op te wekken of aan te zetten tot actie.
Voorbeeld
Uit het gesprek kwam naar voren dat de 'sociale gelegenheid' aangepakt kon worden, op de oranje kaart zie je dat de interventies 'modeling' en 'omgeving aanpassen' hieraan gekoppeld zijn.
Gedragsveranderingstechnieken kiezen
Onder de gedragskenmerken en interventies vind je een overzicht met bijpassende gedragsveranderingstechnieken. Kies een gedragsveranderingstechniek die je wilt verkennen en blader naar de bijbehorende groene kaart.
De oranje kaart betreft dus een aantal beslisstappen die misschien nieuw zijn: het gedragskenmerk bepalen, interventie(s) selecteren en gedragsveranderingstechniek(en) kiezen. Professionals geven aan dat het gebruik van de waaier na een aantal keren toepassen steeds makkelijker en doeltreffender wordt.
3. Groene kaarten: gedragsveranderingstechnieken
Op de groene kaarten vind je de uitleg van de gedragsveranderingstechnieken en voorbeelden van hoe je deze technieken kan gebruiken. Bekijk een geselecteerde techniek en bespreek wat voor de cliënt een passende wijze is om deze bepaalde gedragsveranderingstechniek in te zetten om het doelgedrag te bereiken.
Voorbeeld
In het gesprek geeft de cliënt aan dat hij/zij zich niet helemaal fit voelt om te gaan bewegen, dit zou je kunnen koppelen aan het kenmerk fysieke capaciteit. Op de oranje kaart zie je de interventie training die je hiervoor kiest. Vervolgens kan je een keuze maken uit diverse gedragsveranderingstechnieken: feedback geven, monitoren, instructies en/of demonstreren, gedrag herhalen/gewoonte vormen of zelfbeloning. Vervolgens kan je naar kaart 8, 9, 11, 15 en 18 gaan om deze gedragsveranderingstechnieken te bekijken om vervolgens in gesprek te gaan met de cliënt wat het beste bij hem/haar past.
De waaier helpt je na het gesprek beredeneren hoe je het beweeggedrag van een cliënt kunt beïnvloeden en laat je daarbij bewust verschillende beslisstappen doorlopen.
Bedenken
Je hebt aan de hand van de waaier besproken aan welke gedragskenmerken de cliënt wil werken, welke interventies daarbij passen en welke gedragsveranderingstechnieken daarbij ingezet kunnen worden. Vervolgens bedenk je met de cliënt oplossingsrichtingen om het beweeggedrag te behalen en stel je een persoonsgerichte interventie en beweegdoelen op.
Evalueren
Als laatste maak je afspraken over het vervolg en hoe jullie dit samen gaan evalueren. Probeer deze afspraken zo specifiek mogelijk te formuleren met de cliënt (SMART: specifiek, meetbaar, acceptabel, realistisch en tijdsgebonden). Vraag hoe de cliënt de oplossingsrichting(en) zelf op gaat pakken en welke ondersteuning de client daarbij nodig heeft. Zorg dat de gemaakte afspraken ergens genoteerd worden. Deze stappen hoeven niet allemaal tijdens één consult gemaakt te worden, maar kunnen verspreid worden over verschillende momenten.
Als je samen met je cliënt afspraken gemaakt hebt is het belangrijk om een moment in te plannen om dit te evalueren en vervolg afspraken te maken. Dit is afhankelijk van het tijdsbestek van de gemaakte afspraken en de behoefte van de cliënt en professional.
Voorbeeld
Je hebt met de cliënt afgesproken dat zij binnen 3 weken een keer mee heeft gewandeld bij de wandelclub. Ze geeft zelf aan dat ze eerst even wil ervaren hoe ze dat vindt om te kijken of ze vaker mee wil doen. Je spreekt met haar af om dit over 4 weken te evalueren en samen te kijken of ze dit wil voortzetten of dat het plan aangepast moet worden.